Een modern sprookje
Er was eens een vriendschap tussen twee vrouwen. De een joods, de ander Marokkaans en moslim. Ze zijn niet alleen buren, maar ook beste vriendinnen.
Door: Simcha Tas
Judith (37): “We hebben elkaar vijf jaar geleden leren kennen doordat Zinab een baby had gekregen. Er stond een gigantische ooievaar in de tuin. Daar kon ik natuurlijk niet omheen, dus ik ben langsgegaan om een cadeau te brengen.” Zinab (43): “Ja, zo begon het. We herkenden iets in elkaar. Zij komt uit het oosten van Nederland en was daar, op het platteland, altijd de enige joodse. Ik ben op mijn vijfde vanuit Marokko naar Nederland gekomen en woonde als kind in Heerhugowaard. Er waren vroeger helemaal geen Marokkanen, daar. Alleen wij. Je kunt wel begrijpen hoe dat was, hoewel ik nooit echt gediscrimineerd ben.”
Zinab: “Eigenlijk zijn we bijna altijd samen. We zijn niet alleen buren, we sporten ook verschillende keren per week met elkaar, we lunchen en eten vaak samen en doen eigenlijk nog veel meer. Bovendien zijn onze kinderen ongeveer even oud en onze mannen zijn allebei zakenman. We zijn gewoon beste vriendinnen! Mijn andere vriendinnen zijn soms wel een beetje jaloers op onze sterke band. ‘Heb je het nou alweer over Judith?’ zeggen ze dan.”
Judith: “Dat is ook logisch. Bij mij is het net zo. Ik heb ook andere vriendinnen, maar omdat we naast elkaar wonen, weten we automatisch alles van elkaar. We hebben een zelfde soort ritme. We zijn overdag veel thuis en onze mannen zijn regelmatig weg. Dat schept een band. Het zou minder goed tussen ons werken als Zinab bijvoorbeeld alleen ’s avonds kon afspreken.”
Zinab: “Maar we helpen elkaar ook met praktische dingen. Zo heb ik Judith geholpen met het inrichten van haar huis. En toen ik vorige week met vakantie was, bracht zij mijn moeder overal naartoe met de auto.”
Judith: “Als Zinab weg is, rijd ik voor haar moeder ook wel naar Osdorp. Dan wil ze graag dat ik naar de islamitische slager ga. Dan belt e me op om heel precies uit te leggen welke lamsbout het beste is en welke ik voor haar moet kopen.” Zinab: “Of laatst! Toen gingen we op zoek naar een nieuw tapijt voor Judith. Dat was nog een heel gedoe. Stonden we met zijn tweeën dat tapijt in haar auto te proppen, want dat ding was echt veel groter dan we dachten. Het lukte allemaal maar nét. We maken zo veel leuke dingen mee, samen. We hebben hetzelfde gevoel voor humor. Judith kan zo droog uit de hoek komen, dat ik echt tranen in mijn ogen krijg van het lachen!”
Zinab: „We hebben heel veel met elkaar gemeen, maar toch zijn er wel verschillen tussen ons. Ik heb mijn kinderen op een particuliere school gedaan. Bewust niet op een islamitische. Eerst wilde ik ze hier in de buurt op een gewone school doen. Alles was prima aan de telefoon, maat toen volgde de kennismaking en zagen ze dat we moslims zijn. Toen krabbelde de directeur opeens terug en zei: ‘Als u maar weet dat we hier geen vrijgeven voor het Suikerfeest!’, terwijl ik daar helemaal niet naar had geïnformeerd. Uiteraard was ik toen meteen klaar met die school. Toch zou ik mijn kinderen nooit op een islamitische school doen. Dat is nergens voor nodig, ze krijgen de cultuur van huis uit wel mee. Ik begrijp dat ook niet helemaal van Judith. Zij kiest er voor om haar kinderen op een Joodse school te doen, maar zoiets kan heel stigmatiserend zijn. Zo van: daar zitten de Joden! Bovendien vind ik het gevaarlijk; antisemieten hoeven die school maar binnen te lopen en ze hebben gegarandeerd prijs. Nederlanders zijn gewoon niet bepaald dol op moslims en joden, dus waarom zou je ze op een aparte school plaatsen? Ik zou daar nooit voor kiezen.”
Judith: „Ik snap wel wat Zinab bedoelt, maar ik ben het er niet mee eens. Als je je laat leiden door dit soort angsten, kun je helemaal niets meer. Ik vond het als kind erg moeilijk om het enige joodse meisje te zijn. Als mijn broertje vroeger Joodse les kreeg, kwam de rabbijn naar ons huis. Het héle dorp liep dan uit, omdat ze naar de meneer met die baard en hoed wilden kijken. Ik voelde me een eenling. Mijn kinderen krijgen dat gemeenschapsgevoel nu wel mee. Ze zullen joodse vrienden krijgen en weten dat ze niet alleen zijn; dat ze onderdeel uitmaken van een grotere groep.”
Zinab: “We eten niet alleen vaak samen, maar we wisselen ook recepten uit. Heel geestig: nu eet de familie van Judith dus regelmatig op vrijdagavond ‘mijn’ Marokkaanse kip. Judith houdt wel van koken, maar niet elke dag. Maar dat geeft niks, dan eet ze met het hele gezin gewoon met ons mee. Bij ons is er altijd meer dan genoeg te eten. Mijn moeder staat de hele dag te koken, want iedereen, en dan bedoel ik echt mijn hele familie, eet altijd mee.”
Judith: “Daarom zitten we meestal in mijn huis, want hier vinden we rust en kunnen we lekker kletsen. Maar als mijn man belt en ik neem even niet op, belt hij in een moeite door naar Zinabs telefoon en zegt dan: ‘mag ik Judith even’?”
Zinab: “Ik was laatst in een islamitisch land op vakantie en de man van Judith was daar ook, voor zaken. Ik hielp hem met inkopen doen, vertalen, stelde hem voor aan de juiste mensen, maar hielp hem daarnaast met het kopen van schoentjes voor hun kinderen. Hij had ook een dure tas voor Judith gekocht, maar deze niet van te voren aan mij laten zien. Ik vroeg hem voorzichtig of ze hem wel mooi zou vinden. Toen Judith de tas kreeg, bleek dat hij inderdaad niet helemaal naar wens was. Echt, er is niemand die haar smaak zo goed kan inschatten als ik…”
Judith: “Klopt! Ik heb twee broers, maar had altijd nog een zus gewild. Nu heb ik eindelijk mijn zus. Echt, zo voelt het.”
Zinab: „Precies, zo voel ik het ook. Soms is mijn band met Judith zelfs beter dan die met mijn eigen zus. Het interesseert me niet of ze Joods is of niet. Dat speelt geen rol. Ik zie haar als Judith. Soms zeggen mensen: ‘Maar als jullie in Israël woonden, dan waren jullie vijanden!’ maar we wonen hier, we zijn Nederlanders. Klaar. We hebben te maken met deze situatie en niet met een andere. Dat speculeren heeft geen zin, dus waarom zou ik daar aan meedoen? We zijn broedervolken. Ik vraag me weleens af waarom niet iedereen zo open kan staan voor anderen. Het is zoveel leuker om met andere volken om te gaan!”
Judith: „Doordat mensen uit mijn omgeving weleens kritisch en sceptisch op onze band reageerden, besefte ik pas echt hoe uniek het is wat wij samen hebben. Mensen zijn vaak te veel op zichzelf gericht, hun eigen cirkeltje. Dat is jammer. Ik zie het als een verrijking om niet alleen met joodse mensen om te gaan. Ik vier mijn feestdagen en doe mijn joodse dingen en Zinab bidt vijf keer per dag. Nou én? Hoe relevant is dat eigenlijk? We zijn mensen, de afkomst zou minder belangrijk moeten zijn. Bovendien hebben we veel met elkaar gemeen. Alleen al de talen, Hebreeuws en Arabisch lijken ongelooflijk op elkaar en ook de normen en waarden en feesten zijn vrijwel identiek.”
Zinab: “Het belangrijkste verschil is eigenlijk dat jullie op vrijdag kip eten en wij couscous.”
Bovenstaande tekst werd eerder gepubliceerd in NIW (nr. 21/5 maart 2010)



